Pleitoefening

By joostheurkens

Woensdag diende de fictieve zaak “De Amsterdamsche Verzekering” versus “Gunmaker” bij de Rechtbank Amsterdam. Advocaat en procureur (nog steeds) van eiser: ondergetekende, advocaat en procureur gedaagde: Filip.

Casus: Sebastiaan, een jongen van 16, ’speelt’ met een luchtdrukpistool. Ongewild gaat het pistool af en raakt zijn vriendje Jeroen in zijn rechteroog, die daardoor blind raakt aan dat oog. De verzekeraar heeft de schade aan Jeroen vergoed, die daarop zijn vorderingen tegen derden aan haar cedeert (overdraagt). Uit onderzoek blijkt dat het veiligheidsmechanisme niet (goed) functioneert. De verzekeraar spreekt nu de maker van het pistool aan op grond van productaansprakelijkheid (6:185 BW) en onrechtmatige daad (6:162 BW).

Dit lijkt misschien een makkelijke zaak voor de verzekeraar; het pistool heeft immers een duidelijk gebrek (niet goed functionerende veiligheidspal). Complicerende factoren zijn echter onder andere: hoe toon je aan dat de veiligheidspal op het pistool zat op het moment van afgaan (tijdens spelen met wapen) en hoe toon je aan dat het gebrek al aanwezig was op het moment dat het pistool de fabriek verliet (geen andere omstandigheden als verkeerd gebruik / slecht onderhoud)?

Na de voordrachten van de pleitnota’s, die veelvuldig onderbroken werden door lastige vragen van de rechters, ontspon zich in de re- en dupliek een ‘discussie’ over de minderjarigheid van de jongens, de gebruiksaanwijzing en waarschuwing bij het pistool, de veiligheid die je van een pistool mag verwachten en zelfs de schuld van Jeroen zelf (risicoaanvaarding). De rechters deden daarna helaas geen uitspraak wie er (het meest) gelijk had.

Categorie: ,

Reageer